For the oldest-and-still-in-existence comic-fanzine of Europe Hans van den Boom traveled to where Claude Auclair lived. The tape recordings are long gone, but through interference of Robin Schouten he was very cooperative, and shared images. Like the one below.


STRIPSCHRIFT number 102/103, August/September 1977
Interview with Claude Auclair

 
 

 

AUCLAIR
DE TEKENAAR ALS STRIPHELD

Een opvallende verschijning in het weekblad Kuifje is zonder twijfel Simon van de Rivier. Opvallend allereerst door het uitzonderlijk knappe tekenwerk, maar daarnaast door de anti-autoritaire teneur van de strip en door het feit dat de strip een belangrijk exponent is van het nieuwe, volwassener gezicht van Kuifje. Simon is een strip van de Fransman Claude Auclair, die zowel de tekst als de tekeningen realiseert. Auclair maakte voor Kuifje ook andere strips (De Sage van de Grizzly, 1970, en Het eiland van Arroyoka, met tekst van Greg, 1970). Daarnaast werkte hij in ’69 en ’71 voor het Franse stripblad Pilote.
Speciaal voor dit Kuifje-nummer van Stripschrift maakten wij een vraaggesprek met Auclair, die ten zuiden van Parijs woont, midden in de bossen van Rambouillet.

AUCLAIR
THE ARTIST IS A STAR IN HIS COMICS

A remarkable appearance in comic-weekly Kuifje is without any doubt Simon of the River. Remarkable in the first place because of its extremely well artwork, but also the anti-authoritarian aspect of this comics, and because it is an important aspect of the new and more mature look of Kuifje. Simon is a comics of Frenchman Claude Auclair, who is responsible for text as well as drawings. For Kuifje Auclair also made other comics (Grizzly, 1970, and Arroyoka, text by Greg, 1970). In addition he worked for the French comic-magazine Pilote in '69 and '71.
In particular for this Kuifje-number of Stripschrift we conducted an interview with Auclair, who lives south of Paris, amidst the woods of Rambouillet.

 

door/by Hans van den Boom  

Auclair blijkt een man te zijn die zo in de strip kan meespelen. Hij heeft veel weg van Simon (zij het met donker haar), zijn Antilliaanse vrouw Sarah lijkt op Simon’s vriendin Emeline. Ook Auclairs ideeën over de mens en de natuur komen sterk overeen met de geest die uit zijn reeks Simon van de Rivier spreekt. Dit in tegenstelling tot Simon’s voorloper Jason Muller die een veel technologischer aanpak had.

Auclair: dat is waarschijnlijk de invloed van Giraud geweest, die mij in het begin begeleid heeft.

Wanneer was dat?  
In 1969 werd mijn eerste strip in Pilote gepubliceerd, maar ik was een jaar of twee eerder al begonnen met tekenen. Eerst illustratiewerk voor de tijdschriften Galaxie en Fiction. Ik wilde toen ook al graag strip tekenen, maar dat lukte niet helemaal, ik kwam niet aan de slag. Niet verbazingwekkend overigens, want wat ik toen maakte was erg slecht! De eerste strip die van mij werd gepubliceerd heette Après. Dat was in Underground Comics een blaadje dat Moliterni had opgericht samen met een stel mensen van Pilote. Het heeft één nummer bestaan, toen was het alweer van de kaart. Ik had voor dat verhaal al een begin gemaakt, maar kwam hopeloos vast te zitten. Giraud heeft toen een nieuw scenario gemaakt, mij aanwijzingen gegeven voor het tekenen en het geheel begeleid. Daarna heeft hij het resultaat meegenomen naar Goscinny en mij zo Pilote binnengeloodst. Ook bij Pilote bleef Giraud mij helpen. Hij is degene die Jason Muller opgezet heeft en het eerste scenario verzorgde. Bovendien hielp hij mij met het opbouwen van de pagina’s voor dat verhaal, hij gaf aan hoe ik het beste alles kon tekenen.
Het tweede verhaal is geschreven door Christin, de scenarist van Valérian (in Nederland Ravian, H.v.d.B.) Bij Pilote bleef ik ruim een jaar. Toen ben ik naar Kuifje verhuisd, omdat men mij daar een erg aantrekkelijk voorstel gedaan had, maar vooral omdat ik me bij Pilote niet zo op m’n gemak voelde. Het was wel een omgeving waar veel nieuwe dingen ontstonden, maar het stempel dat Goscinny op het geheel drukte was te zwaar naar mijn smaak.
Bij Kuifje ben ik ook ongeveer een jaar gebleven. Ik ben begonnen met De sage van de Grizzly; daarna heb ik op tekst van Greg Het eiland Arroyoka getekend. Die samenwerking met Greg ging echter zo de mist in dat het me beter leek het toch maar weer bij Pilote te proberen. Bij Kuifje was ik nogal teleurgesteld. Ik had met Greg uitvoerig over scenario’s gepraat en over wat ik graag zou willen maken, maar het scenario wat ik uiteindelijk moest gaan tekenen leek maar heel in de verte op wat ik in mijn hoofd had en graag wilde doen. Toen ik eenmaal aan het verhaal begonnen was verloor ik al gauw iedere interesse ervoor. Dat was natuurlijk erg spijtig, maar het lag me gewoon niet. Bij het begin dacht ik dat het echt wel iets kon worden, maar toen ik het tweede en derde ‘hoofdstuk’ ontving en ik nog steeds geen verbetering zag verloor ik mijn interesse. Dat ik het verhaal toch afgemaakt heb lag meer aan het contract dat ik getekend had dan aan mijzelf! Bij Pilote werd ik ook niet bepaald met open armen ontvangen. Goscinny vindt het helemaal niet leuk als tekenaars bij de concurrent gaan werken. Hij heeft me wel weer als tekenaar geaccepteerd, maar op een erg koele manier!
Ik heb er de draad van Jason Muller weer opgenomen, met twee verhalen van acht bladzijden. Daarnaast heb ik erg veel ‘actualités’ getekend van een of twee bladzijden. Dat lag me beslist niet, ik deed het niet graag maar iedereen werd geacht daaraan mee te doen, of het hem goed af ging of niet. Na die twee episodes heb ik voor Goscinny een schemaatje gemaakt om duidelijk te maken welke richting ik met de reeks heen wilde, en tevens een aantal scenario’s voorgesteld die echter systematisch geweigerd werden. Ik heb nooit te horen gekregen waarom mijn scenario’s ineens allemaal afgekeurd werden, er is nooit een verklaring gegeven. Ik vermoed dat het deel uitmaakte van een groter plan dat de verwijdering inhield van een aantal mensen die niet meer ‘gewenst’ waren…
Naar aanleiding hiervan ben ik toen voor de tweede keer naar Kuifje overgegaan. Ik heb in Brussel dezelfde scenario’s voorgesteld als in Parijs maar natuurlijk met een wat gewijzigde hoofdfiguur en titel. Zo ontstond Simon van de Rivier. Toen ik terugkwam bij Kuifje heeft Greg me niets verweten, dat was erg prettig van hem. Hij begreep wel dat ik me niet op m’n gemak gevoeld had en heeft er verder dan ook geen punt van gemaakt. Hij ging er nu mee akkoord dat ik zelf mijn scenario´s zou schrijven, daar was ik erg blij mee. Het ´vertellen´ heeft mij altijd enorm geïnteresseerd. Ik heb ook steeds graag zelf scenario´s willen schrijven, maar ik wist absoluut niet hoe dat moest. Toch heb ik zo snel mogelijk geprobeerd alles zelf te doen, omdat ik nog nooit een scenarist ontmoet heb die zo soepel is dat hij wat ik in het verhaal wil zeggen er ook in weet te stoppen. Te vaak is het niet een samenwerking, maar juist een duidelijke scheiding tekenaar/schrijver. Te vaak zijn scenaristen uit de literaire wereld afkomstig en houden ze te weinig rekening met de tekenaar, te vaak moeten scenaristen om hun brood te verdienen veel te veel teksten schrijven. Van de scenaristen die ik ken is er maar één, die echt in samenwerking met de tekenaar een strip maakt, namelijk Lob.(zie ook ss no. 101) Natuurlijk hoeft de scenarist ‘niet in dienst’ van de tekenaar te staan, maar momenteel is het nogal eens andersom. Ik geloof dat er best een evenwicht te vinden moet zijn, waar beiden evenveel inbreng hebben. Vaak is de financiële kant van de zaak hiervoor echter een belemmering, de scenarist kan zich een dergelijke samenwerking niet permitteren. Iemand als Christin komt een heel eind in de goede richting, juist dankzij het feit dat hij qua inkomsten niet van het tekstschrijven afhankelijk is.

POST-ATOMAIR
Beschouw je Simon als Science-Fiction strip?
Dat vind ik wel, hoewel het misschien niet helemaal in de definitie past. Ik ben uitgegaan van het science-fiction thema van een post-atomair tijdperk, om mijzelf in staat te stellen een aantal dingen in mijn strip naar voren te brengen, die ik anders niet kwijt zou hebben gekund. Er zijn een hoop problemen die de mensen van nu bezighouden, maar die toch heel moeilijk te behandelen zijn in een verhaal dat in deze tijd speelt. Wil je het daar toch over hebben dan moet je een dergelijke omweg bewandelen. Bovendien trok het thema van de tijd na de atoombom mij wel aan, in verband met de vele mogelijkheden die er zijn. Het is veel minder beperkt dan bijvoorbeeld een Western. Binnen dit thema zijn psychologische verhalen mogelijk, pure avonturen, fantastische episodes, kortom mogelijkheden genoeg. Ik ben ook altijd verzot geweest op SF-romans met een dergelijk thema, dat zat er al vroeg in. Onder andere ben ik beïnvloed door een roman van Jack Vance, die in het Frans, als ik het mij goed herinner, iets als ‘Kugil l’actucieux” heette. Toen ik strips begon te tekenen heb ik dat verhaal als inspiratiebron genomen, ik heb geprobeerd het een beetje te illustreren. Men heeft mij wel eens gezegd, dat mijn huidige werk nog wel enigszins dezelfde atmosfeer heeft als dat van Jack Vance, en misschien is dat wel zo…

Jason Muller in Pilote begon als een gezagsgetrouw lid van de UNO. In het derde en vierde verhaal keert hij zich tegen het wettige gezag. Simon van de Rivier evenwel begint al direct als lid van de ‘plattelanders’ die tegen de City vechten?
Dat kun je wel zeggen, hoewel Simon ook een van de stedelingen geweest is: zijn vader was een van de grootste geleerden van de city, Simon zal ook in het verhaal dat ik nu aan het voorbereiden ben, weer naar de stad terugkeren. In de voorafgaande episodes is er al op gezinspeeld dat Simon teruggaat naar het laboratorium van zijn vader om het wapen, dat zijn vader hem heeft toevertrouwd, te vernietigen. Inmiddels heb ik dat plan laten varen. Waarschijnlijk zullen de stedelingen er in slagen het wapen in handen te krijgen, maar ontploft het als ze het ding in hun bezit gekregen hebben en worden ze totaal vernietigd. Het komende verhaal zal dan ook waarschijnlijk het laatste worden van de cyclus. Simon zal naderhand wel weer terugkeren, maar op een geheel andere manier. In alle verhalen tot nu toe zit, vind ik, een constante factor, namelijk een nogal pessimistische kijk op het leven en de mens. De volgende cyclus zal, hoop ik, een positievere optiek hebben en ook wat meer ingaan op aspecten als de verschillende manieren van leven, het ontstaan van gemeenschappen, en hoe bijvoorbeeld kinderen in verschillende omgevingen verschillend opgevoed worden. Dat is trouwens iets waarover ik diverse brieven gekregen heb: dat er in mijn verhalen geen kinderen voorkomen. Dat is inderdaad zo: ik ben dol op kinderen, maar in mijn strip zie je ze zelden. In een van de verhalen van de nieuwe cyclus zal dat anders worden. Het zal een verhaal worden met als achtergrondidee de theorieën van A.S.Neill, een Engelsman. Hij heeft een boek geschreven getiteld ‘De vrije kinderen van Summerhill’, waarin hij de school van Summerhill beschrijft. Dat was een geheel open kostschool die zo rond 1930 is opgericht (en misschien nog wel bestaat) die de kinderen zoveel mogelijk vrij liet. De kinderen op de school waren vaak probleemgevallen maar dikwijls viel Summerhill zo bij hen in de smaak dat ze er tot hun 18e, 19e jaar bleven. Binnen de school kregen ze zoveel mogelijk zelfstandigheid en dat gaf erg interessante resultaten.

GIONO
Er zijn problemen geweest met het eerste verhaal van Simon?
Ja, nou en of. Wat was er namelijk gebeurd? Ik had enige tijd voor ik met ‘De ballade van Roodhaar’ begon een boek gelezen van Jean Giono, getiteld ‘Le chant du monde’. Dat boek was voor mij min of meer een openbaring. Ik kende het werk van Giono helemaal niet, hoewel hij toch vrij veel geschreven had. Hij schreef vooral over het land, over zijn streek, en was een groot aanhanger van ‘terug naar de natuur’ beweging. Hij heeft ook, nog voor de oorlog, een commune gesticht die weliswaar niet al te best gefunctioneerd heeft, maar in die zin uniek was dat er voor het eerst sinds tijden weer eens een poging in die richting gedaan werd. Hij is door de oorlogsregering van Petain sterk tegengewerkt, omdat zijn project inging tegen de regeringsfilosofie van ’werk, gezin, vaderland’, en later heeft hij ook veel last gehad van de communisten. Uit zijn ‘Chant du monde’ sprak een bepaalde toon, er werd een heel kenmerkende atmosfeer opgeroepen die mij enorm aansprak. Toen ik het boek las nam ik mij voor te proberen die sfeer over te brengen in een strip. Daartoe heb ik een poging gedaan, maar wat men mij toen verweet was dat ik doodgewoon een stripversie van het boek gemaakt had. Het weekblad Kuifje ontving op een gegeven dag een brief van die strekking. Ze belden mij op om te informeren hoe het precies zat en ik vertelde dat ik de roman wel gelezen had maar het zeker niet regelrecht als basis voor mijn scenario gebruikt had. Het zat de redactie echter toch niet lekker en ze wilden dat ik voor de zekerheid toch maar naar de uitgeverij Gallimard ging, die de rechten van Giono had.
Voor ik dat deed heb ik eerst nog een advocaat geraadpleegd, die het niet nodig vond, maar Lombard zat er zo achterheen dat ik uiteindelijk toch maar gegaan ben. Bij Gallimard begon men met het maken van onnozele opmerkingen, zo van ‘tjatja, dat is niet zo mooi wat u heeft gedaan’, en dat terwijl ik toch naar hen toegestapt was en niet andersom. Ik kreeg toen een van de kinderen van Giono te pakken die bij Gallimard werkte, maar daar kwam ook niets definitiefs uit, omdat strip voor die man een onbekend terrein was. Met films had hij wel te maken gehad, er zijn verscheidene films op basis van zijn vaders romans gemaakt, maar strip was een onbekend medium. Tenslotte was het resultaat dat het weekblad Kuifje een brief gekregen heeft waarin Gallimard 8000 francs eiste voor de rechten, alleen voor de eenmalige publicatie in Kuifje. Daarover viel verder niet te praten. Het was betalen of een proces. Ik heb het geld toen maar betaald, maar het betekende wel dat van het verhaal geen album kon komen, tenzij er weer een hoop geld neergeteld wordt.

Werk je voor Kuifje België, of ook voor Kuifje Frankrijk?
Ik werk rechtstreeks voor Kuifje België, met Frankrijk heb ik niets van doen. In de Franse Kuifje wordt mijn strip ook niet altijd overgenomen. Zo is De Slaven nog geplaatst, maar met dat verhaal heeft zich een censuurprobleem voorgedaan. Het verhaal daarna, Maïlis, zal niet geplaatst worden, waarschijnlijk om verdere moeilijkheden te vermijden.

RUSTPUNT
Maïlis is overigens een veel psychologischer verhaal dan b.v. ‘De Slaven’?
Maïlis was een verhaal dat ik gepland had voor verschijning na deze cyclus. Het paste niet zo in het kader van de huidige reeks. De reden waarom ik toch het scenario opgenomen heb is dat ik na ‘De Slaven’ wel weer voor een hele tijd genoeg had van vechtpartijen en dergelijke. Maïlis was even een rustpunt waarin ik voor de verandering eens met maar een paar personages kon werken. En ik geloof dat het verhaal achteraf toch helemaal niet misstaat in het geheel. Bij het begin van Maïlis heb ik Kuifje nog voorgesteld om het lied dat daar afgedrukt staat op zo’n dun grammofoonplaatje te laten bijvoegen. Ik denk dat ze het te duur vonden of zo, want ik heb daar nooit iets over gehoord…Je zou dat lied kunnen beschouwen als de inleidingsmelodie van een film, het had min of meer dezelfde functie.
In het begin van mijn verhalen verloopt het geheel opzettelijk nogal langzaam. De lezers kunnen de sfeer van een verhaal pas goed aanvoelen als ze de hoofdpersoon kunnen doorgronden. De langzame inleiding geeft de lezers de kans aan de atmosfeer te wennen. Op een gegeven moment werd ik opgebeld door een buitenlandse uitgever die het verhaal De Stam der ruiters wilde kopen. Maar, zei hij, de eerste twee pagina’s laat ik weg, want daar staat toch geen tekst in! Ik vroeg hem of hij soms ook de eerste pagina’s van een roman wegliet als hij ruimte te kort kwam. Nou, dat vond hij toch niet hetzelfde. Tenslotte lukte het mij hem aan het verstand te brengen dat er weliswaar geen tekst in stond, maar dat die pagina’s er toch echt niet zomaar aan vastgeplakt waren, dat ze wel degelijk wat te zeggen hadden.
Ik heb nog steeds moeite met de eis dat ieder verhaal in 46 bladzijden afgerond moet zijn. Ik ben meer op mijn gemak in grote fresco’s, lange, uitgebreide verhalen. In feite is ook Simon een dergelijk verhaal, alleen ben ik genoodzaakt om de 46 bladzijden een tussenstop in te lassen, waardoor ik telkens weer een aantal pagina’s kwijtraak met inleiding, resumé, enzovoorts. Het is duidelijk dat het grote geheel daaronder lijdt, de vertelling wordt er minder door.

FRESCO
In ‘De Pelgrims’ werk je weer met hoofdstukken, terwijl dat niet door Kuifje weekblad wordt geëist…
Daarvoor zijn verschillende redenen. Allereerst doe ik het om het geheel enigszins de sfeer te geven van een ‘getekende roman’. Maar daarnaast is het omdat 46 bladzijden voor mij eruitzien als een nauwe, donkere tunnel waar ik door moet; een angstaanjagende opgave. Door het verhaal in hoofdstukken te verdelen kan ik tussendoor even ademhalen. Je moet bedenken dat ik aan één verhaal toch al gauw zeven àcht maanden zit te werken. Mijn grootste wens is om nog eens een ‘fresco’ van een paar honderd pagina’s te realiseren, onderverdeeld in hoofdstukken van zo’n tien à twintig bladzijden. Als onderwerp daarvan heb ik de geschiedenis van de Kelten op het oog, een onderwerp dat me al jaren fascineert.

Je komt ook uit de buurt van Bretagne?
Ja, ik ben een ‘plattelandskind’. De eerste 10 jaar van mijn leven heb ik op het platteland gewoond, in de Vendee. Dat ligt net onder Bretagne, ook aan de kust. Het is een erg kaal en vlak land, waar de levensomstandigheden niet al te makkelijk waren. Het was een arm en nogal achtergebleven gebied, waar de meeste mensen nog in 19e-eeuwse omstandigheden leefden. Mijn grootmoeder van moeders kant sprak zelfs geen Frans maar alleen het plaatselijke ‘patois’ dat een mengelmoesje was van Bretons en andere dialecten. Ik kon met mijn grootmoeder heel aardig in haar dialect praten, maar als mijn grootouders van vaders kant erbij waren, mocht ik dat beslist niet, dat was schandelijk! Ik mocht dan alléén Frans spreken.
In Bretagne zelf is die onderdrukking van de plaatselijke taal overigens veel fanatieker geweest. Een vriend van mij heeft dat nog zelf meegemaakt dat zo rond 1950 een kind dat op school Bretons sprak een soort riem op zijn nek kreeg, of zelfs een bit in de mond om het af te leren! En het meest schandelijke was nog wel dat het kind die apparatuur pas kwijt raakte als hij een ander kind aan kon geven dat ook op school Bretons had gepraat!

SPEURTOCHT
Rond mijn tiende jaar ben ik met mijn ouders van het platteland naar de grote stad Nantes verhuisd waar ik mijn tienertijd doorgebracht heb. En uiteindelijk kwam ik in Parijs terecht na mijn diensttijd. Die eerste tien jaar van mijn leven hebben op mij een enorme invloed gehad, want al direct in Nantes en later nog sterker in Parijs, voelde ik mij niet op mijn gemak. Ik miste het landelijke. Je kunt ook zeggen dat er in mijn werk steeds een zekere speurtocht geweest is, dat ik ook daar telkens het landelijke aspect opzocht. De menselijke relaties zoals die nog op het platteland bestaan, om maar iets te noemen. Ik geloof ook dat we terug moeten naar een leefstijl die dichter bij de natuur staat. Ofwel men gaat zoals nu blindelings het einde tegemoet, ofwel men gaat terug naar een natuurlijker leefwijze. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat we weer met een handploeg of zo moeten gaan werken, maar veeleer een hernieuwd besef van onze omgeving en een decentralisering, een regionalisering. Dat zou niet alleen moeten plaatsvinden op nationaal niveau, maar in de gehele westerse wereld. In Frankrijk begint een dergelijke tendens zich af te tekenen. Bij deze ontwikkelingen sluit ik het voortbestaan van een centrale macht niet uit, maar de bevoegdheden ervan dienen beperkt te blijven. De staat zoals die nu functioneert is m.i. ten dode opgeschreven.

En een oplossing zoals de Verenigde Staten van Amerika?
In principe zeg ik ja, maar in de praktijk werkt het toch niet. De verdeling van verantwoordelijkheden tussen de staten en de federale regering is daar toch niet goed. Teveel zie je dat de staten geneigd zijn een segregationistische politiek te voeren, dat ze zich niets aantrekken van naburige staten en er geen uniforme wetgeving is. Bovendien worden er ook weer allerlei minderheidsgroepen onder tafel gewerkt: denk maar eens aan de Indianen. Een eerste stap in de goede richting zou in Frankrijk zijn om op basis van de huidige situatie nieuwe regionale grenzen vast te stellen en deze regio’s de mogelijkheid te bieden politiek en administratief zelfstandiger te worden. Binnen dat raamwerk vallen ook zaken als regionale radio- en tv-zenders, het versterken van de betrokkenheid van de mensen bij het regeren, enzovoorts.

GRIZZLY
De tijd tussen de publikatie van ‘Maïlis’ en van ‘De Pelgrims’ was wel erg lang, meer dan een jaar. Wat was daarvan de oorzaak?
De ‘Pelgrims’, dat nu gepubliceerd wordt, heb ik afgelopen januari beëindigd. Ik heb er niet continu aan gewerkt, in de tussentijd heb ik nog een 15-pagina verhaal getekend voor het album De sage van de Grizzly, dat bij ‘Les Humanoïdes Associés’ uitgegeven is.
Daarin zijn ook de drie hoofdstukken opgenomen die ik nog, in de tijd voor ik nog aan ‘Het eiland Arroyoka’ werkte, bij Kuifje gemaakt had. Ik had de redactie voorgesteld een serie te gaan maken over de begintijd van de kolonisatie van Amerika en Canada. Vooral wilde ik Indianenstammen laten zien die nogal afweken van wat het algemene beeld geworden is.
Het was niet mijn bedoeling echt ‘een visie’ te geven op het Indianenprobleem, maar meer om te laten zien op welke manier de Indianen dachten, en hoe ze een onderdeel wisten te worden van de natuur. De Indianen beseften de waarde van de natuur en ze leefden dan ook op een manier die de natuur geen geweld aandeed. Het merkwaardige is, dat ik gemerkt heb dat die mentaliteit voor sommige mensen zo vreemd is, dat ze zelfs de strekking van het korte verhaal La Légende de Nez Pointu et de Trois-Pattes le Loup, waarin dat thema nadrukkelijk behandeld wordt, niet kunnen aanvoelen. Ik vraag me nog steeds af hoe de verhalen destijds in Kuifje ontvangen zijn. Kennelijk was het geen succes, maar het ‘waarom’ is mij een raadsel. Misschien kwam het ook wel wat te vroeg. Greg stelde mij toen voor ‘Arroyoka’ te gaan doen en nadien was het niet meer mogelijk met mijn eerste project door te gaan, omdat inmiddels Derib bij het blad gekomen was en al een tijdje Buddy Longway tekende. Een hele tijd lang heb ik het Derib wel kwalijk genomen, dat hij mij de kans ontnam mijn Indianenserie voort te zetten. Toen ik vorig jaar de kans kreeg het verhaal af te ronden in een album heb ik het direct gedaan.

Heb je de Indianenreeks van Kresse gelezen?
Ik heb wel eens een verhaal doorgekeken, maar nooit echt gelezen. Het is eigenaardig; technisch is het erg knap, maar als strip vind ik het niet ‘levend’. Misschien zou ik me er eens wat meer in moeten verdiepen, ik weet het niet. Kresse heeft zich ook wat meer verdiept in de Apaches, terwijl ik me meer interesseer voor de levensstijl van de semi-nomadenstammen uit het Noorden en Noord-westen. De Indianen die ik op het oog had (en heb) waren Indianen uit het woud, die jaagden, vaak een vast territorium hadden en dikwijls ook aan landbouw deden. Over die stammen is nog weinig geschreven, hoewel het toch een boeiend onderwerp is. Maar misschien doe ik het nog wel eens een keer…

CHARTRES
In het verhaal ‘de Pelgrims’ speelt Chartres een vrij belangrijke rol. Heb je deze stad genomen naar aanleiding van het feit dat je maar een half uurtje er vandaan woont?
Misschien wel een beetje, maar zeker niet alleen daarom. Wat ik in dit verhaal wil vertellen is de terugwinning van een filosofie. Het bijzondere aan Chartres is dat die plaats al duizenden jaren lang telkens weer voor een bepaalde overtuiging herwonnen is. Chartres is een pelgrimsoord, dat was al zo in de pre-keltische tijd. De Kelten hebben het als pelgrimsoord overgenomen, daarna de Romeinen, die er een soort fort gebouwd hebben. Als je in Chartres bent, zie je ook dat de huidige kathedraal op een soort terp staat, die beslist niet natuurlijk is. Onder de kerk bevindt zich een hunebed, ik geloof zelfs dat die nog toegankelijk is, met een bron waarin de mensen zich baadden, omdat dat allerlei gunstige gevolgen zou hebben.
Na het Romeinse fort heeft er op de heuvel eerst nog een kerk gestaan, een Romaans klooster, en daarna is men begonnen met de bouw van de kathedraal van Chartres. En zelfs in de kathedraal kun je allerlei stadia terugvinden. Het oudste deel is gebouwd in de tijd vlak na de Romeinen, het eerste christelijke tijdperk, en daarin is de invloed van de Tempeliers duidelijk terug te vinden. Dat is overigens zo in bijna alle Gotische kathedralen in Europa. In de opvatting van toen was het een soort humanistische plek, waar de mensen bijeen kwamen, elkaar ontmoetten en over allerlei problemen praatten. Er vonden christelijke ceremoniën plaats, maar ook feesten die nog een heidens tintje hadden. Er werd gedanst, er werd in de kerk overnacht, dat kon allemaal. Pas het strenge katholicisme verbood dat, en toen is de kerk het strenge instituut van tegenwoordig geworden. Ook vandaag nog heeft de kerk van Chartres iets speciaals. Vanuit talloze landen komen er nog steeds veel pelgrims naar Chartres, terwijl er toch genoeg andere grote kathedralen zijn. Voor Simon’s reis naar Chartres heb ik gebruik gemaakt van enkele foto’s, maar vooral ben ik zelf gaan kijken hoe het interieur van de kathedraal op mij overkwam. Ik heb wat geschetst en al gauw kreeg ik in de gaten dat ik me wel een nachtmerrie op de hals gehaald had! Vandaar dat ik me bij de uiteindelijke bladindeling beperkt heb tot tekeningen van veraf en van niet te grote plaatjes per pagina! Ik zag al die maanden extra werk al voor me!

NATUUR
In ‘Simon van de Rivier” laat je geregeld zien hoe de natuur de menselijke werken weer ongedaan maakt…
Daar ben ik altijd al door gefascineerd. Als je bijvoorbeeld hier vlakbij door de bossen van Rambouillet loopt, dan zie je dat op plaatsen waar bijna nooit iemand komt, de weg helemaal begroeid raakt met gras en mos en met allerlei plantjes die tussen de stenen in groeien. De natuur heeft daar een enorme kracht. Wist je dat de weg, die Brazilië dwars door het Amazonegebied aangelegd heeft, om de haverklap versperd is, omdat de oprukkende natuur dwars door het beton heengroeit! Daaruit blijkt weer dat, behalve als de mens op grote schaal vernietigende wapens gaat toepassen, de natuur een hoop schade weer ongedaan kan maken. En voor mij is dat toch wel een beetje een geruststellend idee!

Auclair appears to be a man who could participate in his own comics. He resembles Simon (although his hair is dark), his French Antillean wife Sarah looks like Simons friend Emeline. Also Auclairs ideas about man and nature strongly resemble Simons atmosphere. This in contradiction to Simons predecessor Jason Muller, who had a more technical approach.

Auclair: that probably is caused by the influence of Giraud, who coached me in the beginning.

When was that?
My first comics to be published in Pilote was in 1969, but I had started drawing two years earlier. At first illustrations for Galaxie and Fiction. I wanted to draw comics, but that was not a success, I could not get going. No big surprise, because what I made in those days was very bad! My first comic published was
Après. That was in Underground Comics a magazine Moliterni had founded, together with some people of Pilote. It appeared only once, and was foulded again. I had made a start with that story, but I got hopelessly stuck. Giraud made a new story, gave pointers for drawing, and accompanied the whole process. After that he showed the result to Goscinny, and that is how I joined Pilote. There too Giraud kept helping me. He is the one who had put up Jason Muller, and took care of the first scenario. Further more he was the one who helped me constructing the pages for that story, and how the best I could draw everything.
The second story is written by Christin, the scenario-writer of Valérian (in Dutch Ravian, H.v.d.B., and in English Valerian and Laureline, H.H.). At Pilote I stayed a little over one year. Next I moved to Kuifje, because they have made me an attractive offer, and I felt uneasy at Pilote. Lots of new things were emerging there, but the mark Goscinny made was too heavy for my taste. At Kuifje I stayed a year too. There I started Grizzly, after which I drew Arroyoka, scenario by Greg. That collaboration with Greg went wrong up to a degree where it seemed better to me to return to Pilote. At Kuifje I was rather disappointed. I have had elaborate conversations with Greg about scenarios and what I wanted, but in the end the story I had to draw only remotely resembled what I had in my head, and wanted to do. After having started drawing that story, I lost every interest. Too bad, but I did not like it at all. At first I saw genuine possibilities. But when I received the second and third 'chapter', and still saw no improvement, I lost all interest. The fact that I finished the story had more to do with the contract I had signed, than with myself! At Pilote I was not welcomed with open arms. Apparently Goscinny did not like it at all, if artists were working for the competition. He did accept me as an artist, but in a very chilly way!
I restarted Jason Muller there; two eight page stories. In addition to it I did lots of one or two page 'actualités'. That I did not like, but everybody was considered to participate, weather it went good or not. After those two episodes I made a little sketch for Goscinny to make him clear what direction I wanted that series to develop, and also I suggested some scenarios which were categorically rejected without any kind of explanation. I have the suspicion it all was part of a bigger plan to let go of certain people who were 'unwanted'...
Because of these circumstances I passed over to Kuifje for the second time. In Brussels I suggested the same scenarios as I had done in Paris, but of course with a slightly altered main character and title. That is how Simon of the River came into being. Upon my return to Kuifje Greg made no accusations, which was a very nice thing to do. He understood I did not feel at ease then, and he made no issue of it. This time he accepted the fact that I would write my own scenarios, which pleased me. 'Telling stories' always had my interest. I wanted to do it, but I did not know how. Still I wanted to do everything at the earliest moment all by myself, because I never met a scenarist who is flexible enough to put everything in a story I want to put into it myself. Too often you can not speak of a collaboration, but an obvious separation  draughtsman/writer. More than once writers are from a literary environment, and have little sympathy for draughts men, and often have to write way too much scenarios to make a living. Of all the scenario-writers I know there is only one who really makes a comic in cooperation with the person drawing, namely Lob (see the article in Stripschrift 101). Naturally the scenario-writer does not have to be on the wage-list of the draughtsman, but at the moment it often is the other way around. According to my opinion a certain balance is possible in which both parties bring in equal weight. But often financial aspects form a hindrance, and the scenarist can not afford these kind of collaborations. Someone like Christin comes a mighty step in the right direction, because he is not dependent financially on writing at all.

 

POST-ATOMIC
Do you see Simon as a Science Fiction comic?
Yes I think so, but although it is not covered by the definition. I took the science-fiction theme of a post-atomic era, in order to allow me to bring forward certain elements which otherwise I had to leave out. People of today occupy themselves with lots of problems, but these are hard to tell about in a story that is situated in the present. If you want to talk about these, you have to take a detour. Furthermore I was attracted to that theme of an era after a nuclear bomb, in connection with the multitude of possibilities. It is much less limited than, for instance, westerns. Within this theme one can deal with psychological stories, genuine adventures, fantastic episodes, more than enough possibilities. I always was fond of SF-novels with this theme, already from an early age. Amongst others I was influenced by a novel of Jack Vance, which, if I remember it right, was called 'Kugil l'actucieux' ('Kugel l'astucieux' in English 'The Eyes of the Overworld', H.H.). When I started drawing comics, that story was my inspiration, and more or less I tried to illustrate it. Sometimes I am told, my current work somewhat has the same atmosphere as that of Jack Vance, and maybe those people are right...

 

Jason Muller in Pilote started out as a law-abiding UNO-member. In the third and fourth story he turns against the law. Simon of the River, however, starts as a member of the 'countrymen' fighting the City?
You might say so, although Simon once was one of the City-people: his father was one of the greatest scientists of the city, and in the story which I am preparing right now Simon will return to the city. In the previous stories
it was hinted that Simon returns to his fathers laboratory with the intention of destroying the weapon his father entrusted to him. In the mean time I have let go of that plan. Probably the people of the city will get hold of this weapon, but it will explode at that moment, totally annihilating them. The upcoming story will probably be the last one of that cycle. Eventually Simon will return, but in a totally different way. In all stories up to now is a constant, which, in my opinion, is a rather pessimistic view on life, and on man. I hope the next cycle will have a more positive look, and will have more emphasis on several different ways of life, origin of communities, and raising children differently in different circumstances. That is something about which I received several letters: about the lack of children in my stories. It is a fact: I love children, but in my comics you rarely see them. That will change with the coming of one of the stories of the new cycle. It will be a story founded on the ideas of A.S.Neill; an Englishman. He wrote a book in which he describes the school of Summerhill. That was a totally open boarding school, founded around 1930 (and might still be in existence) where children were left free as far as possible. More than once these children were problem cases, but they liked Sommerhill that much they stayed there untill they were 18 or 19 years of age. Inside the school they were given autonomy which produced interesting results.

 

GIONO
There have been problems with the first story of Simon?
Yes, rather. What had happened? Some time before I started with 'Le Ballade de Cheveu Rouge' I had read a book by Jean Giono, with the title 'Le Chant du Monde'. To me that book was more or less a revelation. I was unfamiliar with the work of Giono, although he had written quite a lot. He wrote about the land, about his region, and he was a great admirer of the 'back to nature' movement. He also, sill before the war, founded a commune which nevertheless functioned not well, but for the first time since quite some time an attempt in that direction was made. He received many opposition from the wartime regime of Petain, because his project went against the policy of the government of 'work, family, fatherland', and later on he was bothered by the communists a lot. From the tone of his 'Chant du Monde' emanated a certain atmosphere which appealed a lot to me. When I read the book I made up my mind to translate that atmosphere into a comic. I had made an attempt, but people accused me of simply having made a comic-version of the book. One day the weekly Kuifje received a letter with that purpose. They called me, and asked for details. I told them I had read the novel, but it was most certainly not a direct foundation for my scenario. Still the direction did not feel at ease, and just in case they wanted me to see editor Gallimard, who had the rights for Giono.
Before I did so I first consulted a lawyer, who did not see the need. But Lombard kept insisting, so eventually I went. At Gallimard they started making silly remarks like 'well, that that is not a nice thing to to, eaven though I went to see them, and not the other way around. I came in contact with one of the children of Giono working for Gallimard, but nothing definitive came out of that, because comics for that man
were something unknown. Several films were made of his fathers books, so that area was familiar to him. But comics were something unknown. Eventually weekly Kuifje got a letter in which could be read Gallimard wanted 8000 francs for the rights, and for the once only publication in Kuifje. No discussion possible. Pay or go to trial. I wound up paying the money, but it meant the story could not be published in album, unless a lot of money was counted down again.

 

Do you work for Kuifje Belgium, or Kuifje France?
I work straight for Kuifje Belgium; I have nothing to do with France. In the French Kuifje (Tintin, H.H.) my comic is not always printed. Slaves saw publication, but that story caused a problem with censorship. The story following that,
Maïlis, will not be printed (in France, H.H.), probably to avoid further problems

 

REST
Maïlis is a much more psychological story than for instance Slaves?
Maïlis was a story I saved for appearance after conclusion of this cycle. It did not fit in well considering the present series. The reason why I fitted in this scenario was, that after 'Slaves' I was fed up with fights and those kind of things. Maïlis was a rest for me in which I was able to work on several personalities. And I think the story fits in perfectly, when you look at the total. At the start of Maïlis a song is printed, and I suggested to Kuifje to insert that song on Flexi disk. I think probably they found it too expensive, because I never heard anything about it... That song could be considered the introduction- of a film, more or less it had the same function.
In the beginning of my stories it all develops slowly. Readers can only feel the atmosphere of a story if they can fathom the main character. The slow introduction gives the readers chance of getting accustomed to the atmosphere. At one time I received a call from a foreign editor who wanted to buy the story Clan of Centaurs. He wanted lo leave the first two pages out, because there was no text in it! I asked him, if he would skip the first set of pages of a novel if he encounters a shortage of space. Well, according to him that could not be compared. Finally I made him understand the fact, that these pages were not glued to it without a reason, and that they were part of the story.
I still feel difficulties having to limit every story to 46 pages. I am more at ease in big frescos, long elaborate stories. Actually Simon is a story like that too, but I am forced to make a stop every other 46 pages, which causes me to lose certain pages with introduction, summary, etcetera. It is obvious the big scene suffers, the story gets less.

 

FRESCO
In ‘Pilgrims’ you work with chapters again, nevertheless it is no demand of weekly Kuifje...
Several reasons caused that to happen. First I do it to give everything the atmosphere of a 'graphic novel'. But next to that it is done because those 46 pages for me look like a narrow, dark tunnel which I have to go through; a frightening task. Dividing the story in chapters gives me the time to breathe between them. Do not forget, that one story equals seven to eight months of work. My biggest wish would be realizing a 'fresco' several hundreds of pages, subdivided in chapters of ten to twenty pages each. For a subject I have in mind the history of the Celts, a subject which fascinates me for years.

 

You are originated from the neighborhood of Brittany?
Yes, I am a child of the country. The first ten years of my life I lived in the countryside, in the Vendee. That lies under Brittany, also on the coast. It is bare and flat land, where circumstances of life were not very easy. It was poor and backward, where most people lived under 19th century circumstances. My mothers mother did not speak French, but only the local tongue 'patois', which is a mixture of Breton and other dialects. With my grandmother I could speake quite well in her dialect, but when my fathers parents were present I most certainly was not allowed to do so, because that was a big disgrace! I was allowed only to speak French. In Brittany that suppression of the local language was much more fanatic. A friend of mine had personal experiences of around 1950 that a child at school talked Breton and had to wear a belt around his neck, or sometimes a bit in the mouth to break the habit! And what is most disgraceful was the fact the child only could lose the apparatus if he denounced an other child who had spoken Breton at school!

 

QUEST
When I was about ten years of age me and my parents moved from the countryside to the big city Nantes, where I spent my teens. And eventually, after I was drafted, I wound up in Paris. That first ten years of my life have been of an enormous influence, because right away in Nantes and later even stronger in Paris, I did not feel at ease. I missed the countryside. One can say that in my work too a certain quest is present, I am searching for that certain rural aspect. Human relations the way they still exist in the countryside, for instance. I also believe we have to go back to a way of life that is closer to nature. Either mankind continues to go to the end with eyes shut, or they will go back to a more natural way of life. Naturally that does not mean we must go back to the plough, or work by hand, but a new realization of the world surrounding us, and decentralization; a regionalism. This not only should happen nationwide, but throughout the whole western world. In France a tendency of being different is beginning. For me these developments do not exclude an existence of central powers, but its authorities need to be limited. State as it functions today has reached its end.

 

What about a solution like we see in the Unites States of America?
I'd say yes, but in real life that does not work. The division of responsibilities between states and federal government is not good there. More than often one sees states favoring a politic of individualism; ignoring neighboring states, and a lack of uniform law. Furthermore all kind of minority groups are brushed aside: for instance the Indians. A first step in the right direction in France would be to make new regional boundaries while still looking at the present situation, and giving these regions more possibilities of political and administrative independence. That framework also includes things like regional radio and tv, stimulating involvement of people with governing, etcetera.

 

GRIZZLY
Time between publication of ‘Maïlis’ and ‘Pilgrims’ was very long, more than a year. What was causing it?
‘Pilgrims’, which now is published, I finished last January. I did not work at it full time, in between I drew a 15-page story for the album 'Grizzly', which has been published at 'Les Humanoïdes Associés’.
In it are also the three chapters which I made for Kuifje, before the days I was working at 'Arroyoka'. I suggested the editors to to make a complete series about the early days of colonization of America and Canada. I wanted to show tribes of Indians in particular who are rather deviant from what has become the general image.
It was not my intention of presenting 'a view' on the Indian problem, but rather a peak in how they thought, and how they became part of the nature. Indians realized the value of nature, and they lived in a way nature was not violated. Remarkably strange: the fact that that mentality can not be comprehended by several people, and the scope of the short story La Légende de Nez Pointu et de Trois-Pattes le Loup, can not be felt by them. I still wonder how these stories were accepted in Kuifje. Apparently it was no success, but the 'why' still is a riddle to me. Greg suggested to do 'Arroyoka', and after that I could not restart my previous project, because Derib had joined the magazine and was working on Buddy Longway for a while. For quite some time I put the blame on Derib, for having taken away the possibility to continue my series on Indians. When in the previous year I got the chance of completing the story, I took that opportunity right away.

 

Have you read the series on Indians by Kresse?
I leaved through a story, but never actually read one. It is strange: technically it is very well done, but the comic is not 'alive'. Perhaps I should dive in more deeply; I don't know. Kresse got more into the Apaches, while my interest lies more in the lifestyle of the semi-nomads of the north and northwest. The tribes I have in mind are Indians from the woods; hunters; often having a fixed territory, and often farmers. Little is written about those tribes, although it is an interesting subject. But maybe someday I will do it...

 

CHARTRES
In the story ‘Pilgrims’ Chartres plays a major part. Have you chosen this city because it lies only half an hour away from your home?
Maybe that did play a part, but certainly not the only reason. What I want to tell in this story is regaining a philosophy. Chartres is special, because for thousands of years that place has been recovered over and over again by several convictions. Chartres is a place of pilgrimage, and was so in pre-Celtic times. The Celts took over that place as a site of pilgrimage, and after them the Romans, who built a kind of fort there. If you are in Chartres, you also see that the cathedral stands on an artificial hill; certainly not a natural one. Below the church is a megalithic tomb, which is according to my recollection still is accessible, with a well in which people bath, because of the favorable effects.
After the Roman fort there stood a church on the hill, a Roman cloister, and after that people started building Chartres' cathedral. And in the cathedral several stages can be recognized. The oldest part was built shortly after the Romans left, the first Christian era, where influence of the Templar can be clearly seen. By the way goes for about every Gothic cathedral in Europe. In those days people saw it as a humanitarian site, where people came together, and discussed several problems. Christian ceremonies took place, but also festivities with still had a pagan spark. People danced, spent the night in the church; it all was possible. It was forbidden by strict Catholicism, and that has become the strict institute of today. But up to the present day the church of Chartres has something special. Pilgrims from many different countries still come to Chartres, while the number of cathedrals is great. For Simons journey to Chartres I made use of some photos, but particularly I went there myself to get an impression of how the interior took a hold of me. I made some sketches, and became aware of the fact, that the amount of work would be great. That is why I limited myself to drawings from a distance, and no big pictures per page! I could see those extra months of work!


 

NATURE
In ‘Simon of the River' you show time and again how nature undoes human-made constructions..
I have always been fascinated by th
at. If you walk, for instance, not far from here through the forests of Rambouillet, you can see on places where no-one comes the road is overgrown with grass and moss and all kind of plants growing up between the rocks. Nature there has an enormous force. Did you know, that the road in Brazil running straight through the jungle is blocked all the time, because advancing nature grows straight through concrete! This shows that, unless humans start to use weapons of mass-destruction, nature has possibilities of undoing damage. And for me that is more or less a comforting thought!